Vroeger toen ik klein was hadden we een oom genaamd Roel. Oom Roel had een tick. Tegenwoordig zou je zo’n iemand gek of verstandelijk gehandicapt noemen. Maar wij niet, wij genoten met volle teugen van oom Roel. Met oom Roel was er altijd herrie in huis, gezellige herrie. Oom Roel kon goed met beesten overweg en met reigers in het bijzonder, een echte dierenvriend. Het was de broer van mijn vader dus hoe kan het ook anders, iedereen was immers dierenvriend aan vaders kant.
Als oom Roel op visite was stond hij het liefst in de hoek, zodat hij de huiskamer goed kon overzien. Soms zette hij zijn lampenkap op, hij wilde er wel bij zijn maar ook weer niet. ‘Incognito’ zoals hij dat noemde. Op beslissende momenten liet hij wel van zich horen. ‘GOAL’ klonk het dan keihard door de huiskamer als er een doelpunt op studio sport te zien was. Om het even trouwens bij welke voetbalwedstrijd. Moeder kreeg dan steevast een hartverzakking, ‘verdomme vent, gil niet zo’, riep ze dan. Pa er achter aan ‘schreeuw niet zo, eikel’. En wij zaten in onze pyjama’s op de bank te schateren van het lachen. Want zo ging dat toen, wij sliepen in dikke warme pyjama’s.
De leukste avonden waren als er Baywatch op tv was en oom Roel incognito in de hoek een lamp na stond te doen. Wij probeerden dan net zo stil als oom Roel die in de hoek stond, op de bank in onze pyjama te zitten. Muisstil bleven we, en geen kik gaven wij, daar hadden we jaren op getraind. Hij had zijn lampenkap op, maar dan een beetje schuin zodat hij nog net de tv kon zien. ‘Als je stil bent mag je opblijven’ sprak mijn moeder altijd. Zo deden we dat, wachtend op dat ene moment. Je wist dat het komen ging maar nooit wanneer.
‘TIETEN! HELE DIKKE SCHUDDENDE TIETEN!’, brulde oom Roel uit volle borst bij het zien van een rennende Pamela Anderson op het strand, in rood badpak. Niet wetende dat Pamela Hepatitis C heeft, maar dat ter zijde. Deze schreeuw leverde vuurwerk op. Wij, te jong voor dergelijke taal, met dikke rode hoofden, niet wetende of we wel of niet mochten lachen, half proestend met de hand voor de mond naar onze ouders kijkend. Moeder ontplofte en riep waar hij de gore moed vandaan haalde om zo vleselijk over vrouwen te spreken. En dan vader die als een soort van blauwhelm tussenbeide dook. ‘Godver Roel, kap daar nou eens mee en flikkeren jullie op naar boven, hup naar bed!’ Tot zover Baywatch.
Als wij boven op onze kamertjes lagen maakten pa en ma nog ruzie. Maar dat was mooie ruzie met echte emoties. Niet van die laffe ruzies zoals dat tegenwoordige gelul van: ‘ja, maar jij deed dit’ ,’nietes, omdat jij dat deed, deed ik dit’. U kent het wel uit de supermarkt. Van die mensen waar over je denkt als je ze hoort ruziën: ’Jullie verdienen elkaar, fijn stel’ Nee hier ging het ergens over, namelijk hoe lang oom Roel nog werd gedoogd door Ma. Deze ruzie werd beslecht door oom Roel naar huis te brengen. Pa hees hem in de auto en bracht hem weg. Einde ruzie, wordt vervolgd en wel volgende week, om heel precies te zijn.
Een week later kwam oom Roel niet, hij was geschept door een auto en daardoor dood. Aangereden tijdens zijn dagelijkse rondje lampenzaken. Dat deed hij altijd overdag, immer op zoek naar de ene bijzondere lampenkap. Op de plek waar oom Roel stond, staat nu een schemerlamp met een grote kap. Helaas straalt de nieuwe lamp niet zoveel warmte en licht uit als oom Roel. Ik had mijn vader nog nooit zien huilen, maar met tranen op zijn wangen sprak mijn vader de woorden op oom Roel zijn crematie: dag lieve Roel, het was fijn bij ons.